Blog

Mensen van ooit

We zijn – eindelijk, eindelijk – begonnen met het leegruimen van het ouderlijk huis. Anderhalf jaar al staat het al leeg, maar dat gaat nu veranderen.

Heel veel hoeven we trouwens niet te ruimen. Mijn moeder was de laatste jaren van haar leven al als een ware Marie Kondo door alle vertrekken geraasd. De zolder – in onze jeugd een onoverzichtelijke opslagplaats van alles wat verouderd of niet meer nodig was – is zo goed als leeg. De kasten in de slaapkamers eveneens.

Toch komen we nog veel tegen. Dingen die mijn moeder blijkbaar toch niet zo gemakkelijk weg kon gooien, dingen waar ze waarde aan hechtte. Ansichtkaarten, soms meer dan vijftig jaar oud, felicitaties, wensjes van de kleinkinderen en bidprentjes – heel veel bidprentjes, of herinneringskaartjes zoals ze tegenwoordig worden genoemd.

Ik had ze achteloos in de doos met oud papier kunnen mikken, maar zag meteen al zoveel bekende namen en gezichten dat ik er toch voor ben gaan zitten. Allemaal mensen die ook ooit deel uitmaakten van mijn leven….

Mijn beide oma’s. Prentjes waren toen nog heel formeel én religieus getint. Ik kan me de begrafenissen nog goed herinneren. Persoonlijke inbreng was er nog nauwelijks. Eerst een lange, saaie mis in de kerk, daarna nog een dito ceremonie op het kerkhof. Mijn oma’s, twee totaal verschillende vrouwen - allebei getekend door het leven. De een verloor haar man, toen ze nog maar 32 was. De ander haar enige dochter, slechts vijf jaar oud.

Ik kom de vrienden van mijn vader tegen. Bert, Toon en Toemes. Vriendschappen die een leven lang duurden en die elk weekeinde op het voetbalveld weer werden beklonken.

Ome Wim passeert, mijn peetoom. Nooit gekend. Ik was pas drie – en hij pas 46 – toen er plotseling een einde aan zijn leven kwam. Hoe vaak heeft mijn moeder me niet verteld dat de hele familie toen in shock was. Zijn drie zonen zaten nog niet op de middelbare school. Mijn tante moest ineens de kapsalon, die ze met z’n tweeën runden, in haar eentje draaiende zien te houden. Dat deed ze met verve. Ze is inmiddels zelf ook alweer jaren dood – haar prentje zit er ook tussen.

Ik zie mensen uit de buurt - verdomd ja, Riekie, bij wie de deur altijd openstond. Jan, de schooldirecteur. Mien, die slechts 54 werd en Nel, de broodmagere, maar o zo creatieve wijkverpleegster.

Een collega van mijn vader, die mij nog ooit wiskundebijles gaf. Hij maakte zelf een einde aan zijn leven. Ik zie hem in gedachten nog bij ons aan de keukentafel zitten, vrolijk keuvelend. Hij had zoveel talenten, maar zag het leven vooral van de donkere kant.

Nee dan Louis, de schoonvader van mijn zus. Zijn foto staat op de voorkant van het kaartje. Met pet – precies zoals hij was. ‘Aon elk fisje komt ‘n end’, staat er aan de binnenzijde. Zo zag hij het leven. Als een feest. Hij kon er prachtige gedichten over schrijven en net zo prachtig droeg hij die voor. Levenskunst om jaloers op te zijn.

Weggooien al die kaartjes? Ik heb er uiteindelijk toch maar een elastiekje omgedraaid en ze in de doos met familierelikwieën gelegd, die een van ons straks mee naar huis gaat nemen. Misschien kijken we er nooit meer naar om. Maar misschien gaan we er toch nog ooit voor zitten om al die mensen van ooit weer even tot leven te laten komen.

En dat is waar ze eigenlijk ook voor zijn en waarom ze nog steeds bij bijna elke uitvaart worden gedrukt: om te bewaren en niet te vergeten…

Eerdere blogs
Archief
Volg mij
  • Grey Facebook Icon
  • Grey Twitter Icon