Blog

Nadreunen

Carin was 18 toen haar moeder in 1981 overleed. Ze had borstkanker, was bijna twee jaar ziek. Een groot deel van die tijd lag ze thuis op bed. Eerst boven, later in de huiskamer. Een gezinsverzorgster – wat was dat goed geregeld in die tijd – maakte het huis schoon, kookte, waste en zorgde dat moeder niets tekort kwam.

Over de ziekte van moeder werd nauwelijks gesproken. Iedereen leefde zijn eigen leven. Natuurlijk legde het een deken over het gezin. Zachtjes praten, geen televisie aan, bezoek dat in en uit liep en bij ieder gezinslid afzonderlijk – Carin had vier broers en zussen - was er de angst dat moeder er over een tijdje misschien niet meer zou zijn. Maar die gevoelens delen? Pas later, veel later, toen Carin met haar herinneringen aan de slag ging en er ook een boek over schreef (‘Ik ben niet meer wie ik was’) kwam ze erachter dat iedereen er op zijn eigen manier mee had geworsteld.

Ook zijzelf. Met vriendinnen sprak ze er niet over. Later met haar vriend evenmin. Ze wilde er anderen niet mee lastig vallen. Op school deed ze er het zwijgen toe. En ook de school zweeg. In al die jaren, dat haar moeder ziek was, was er slechts één leraar die haar even apart had geroepen om te informeren naar de situatie thuis. Het voelde als een warme douche. ‘Hé, toch iemand die in mij interesse heeft.’

Op 18 december 1981 stierf de moeder van Carin. En hoewel ze zich daar een beetje voor schaamde: dat voelde als een opluchting. Eindelijk was er weer rust in het gezin…

Dat het verlies van een moeder zwaar inhakt op een kind, ook al schurkt dat tegen de volwassenheid aan, ondervond zij pas later, toen eerst een vriendin borstkanker kreeg en er aan overleed – het haalde veel herinneringen naar boven – en er later ook bij haar kalkspatjes in de borsten werden vastgesteld. Het leidde tot een rigoureus besluit: allebei de borsten verwijderen om haar gezin te besparen wat haar zelf was overkomen.

Er is veel veranderd sinds de jaren tachtig. De dood wordt niet meer zo krampachtig en angstvallig weggemoffeld. Er wordt over steeds meer over gesproken, geschreven en in beeld gebracht.

Maar er is één groep die het onderwerp liever niet aansnijdt en dat zijn pubers. Die willen niet anders zijn dan anderen en vooral ook niet zielig. Daarom verstoppen ze het probleem, lijden in hun uppie.

En wat is het dan mooi dat er tegenwoordig middelbare scholen zijn die daarop inspringen met een rouwgroepje. Ook op de middelbare school van mijn dochters. Twee docentes namen daar het initiatief. Jongeren die een vader, moeder, broer, zus of een andere dierbare moeten missen, komen een aantal keren per jaar bij elkaar om samen daarover te praten. Dat doen ze aan de hand van rituelen, met foto’s, woorden, muziek én met kunst: samen gedichten maken en schilderen. In het tweede nummer van Salut! vertellen zij daarover.

Een geweldig initiatief, dat zeker moet worden gecontinueerd en dat navolging verdient. Omdat niet praten, opkroppen, heel lang kan nadreunen en zelfs op middelbare leeftijd nog kan knagen. Het boek van Carin is daarvan een helder bewijs.

Eerdere blogs
Archief
Volg mij
  • Grey Facebook Icon
  • Grey Twitter Icon